Onderzoek Vanwege de schaarse ruimte voor nieuwbouw en hoge uitstoot in de bouw, biedt het ‘niet-bouwen’-principe een oplossing: bestaande ruimte wordt beter benut door meer te renoveren in plaats van nieuw te bouwen, aldus Dimitri Minten van RE-ST. “De ontwikkelaar die in het bestaande investeert, die wordt de pionier van de toekomst.”
‘Bouwen, bouwen, bouwen’ en STOER: de Nederlandse overheid trekt alles uit de kast om het bouwklimaat in Nederland zo aantrekkelijk mogelijk te maken. En daar vindt men wat van: Hans-Hugo Smit staat kritisch tegenover een overheid die met het programma STOER bepaalt wat overbodige regels zijn en vreest voor de consequenties op het gebied van duurzaamheid. Flip ten Cate schreef vorig jaar over de ‘paniek’ waarmee een miljoen woningen worden gebouwd, waarmee de kennis over degelijke stadsontwikkeling, gezondheid en sociale veiligheid volgens hem verloren gaan.
Of Kasper Baggerman die zijn vraagtekens bij de bouwzucht zet wanneer dit ten koste gaat van klimaatadaptieve maatregelen. Toch bestaat er een groep experts die hun vraagtekens al eerder zet en het kritiek richt op een meer elementaire vraag: moet er wel gebouwd worden? Zo claimen de organisaties achter het Renovatiemanifest dat renovatieprojecten een half miljoen woningen kunnen opleveren.
Bril van het niet-bouwen
Ook Dimitri Minten, oprichter van het Antwerpse architectenbureau RE-ST is van mening dat er in de sector vaker gekozen kan worden om niet te bouwen. Zijn bureau zet zich sinds 2010 in om bij nieuwbouw- en renovatieprojecten zoveel mogelijk de bestaande ruimte en gebouwen te benutten zodat er geen nieuwbouw aan te pas hoeft te komen. Het is volgens Minten de verantwoordelijkheid van de ontwerper om te onderzoeken hoe de vraag naar ruimte beter met het bestaande kan worden opgelost. Met als resultaat: minder uitstoot, slimmer ruimtegebruik en soms ook minder kosten.
Daarmee richten hij en zijn collega’s van het bureau zich op het ‘niet-bouwen’: bij verzoeken voor nieuwbouw of uitbreidingsopdrachten zoeken zij eerst hoe de ruimtevraag opgelost kan worden in de bestaande gebouwen. Dit idee gaat terug naar de economische crisis van 2008, toen de middelen voor gebiedsontwikkelingen in de maatschappij schaars waren en stedenbouwers gedwongen werden om het bestaande beter te benutten. Zo’n anderhalf decennium later, is de drang om te bouwen weer volledig terug volgens Minten: “Vaak als de architect gevraagd wordt voor een uitbreidingsproject, wordt ervan uitgegaan dat er door de opdrachtgever goed is nagedacht over de behoefte van ruimte. Wij stellen ons in het vakgebied daar geen vragen bij, terwijl we in de praktijk beter kunnen onderzoeken of deze behoefte met nieuwbouw moet worden opgelost.”
Om onbenutte ruimte in kaart te brengen vraagt hij bijvoorbeeld uurroosters op om in kaart te brengen hoe en wanneer bepaalde ruimtes gebruikt worden
Uit deze opvatting ontstond het principe van het ‘niet-bouwen’. Bewust geschreven met een koppelteken, aangezien het niet enkel een tegenhanger is van wel bouwen, maar vraagt om een actieve aanpak en methode. Al in 2015 schetste een groep onderzoekers samen met RE-ST in het onderzoek ‘Pleidooi voor het niet-bouwen’ de voordelen van het niet-bouwen: meer gericht op ruimtedelen in plaats van bezit, de afbouw van ecologische schuld en de snelheid die erbij gepaard kan gaan. Een architect die de ‘bril van het niet-bouwen’ draagt, stelt bij een opdracht allereerst de vraag: heb ik nieuwbouw nodig of kan ik de activiteiten en behoeftes die de drijfveer zijn van de uitbreidingsvraag ook in de bestaande gebouwen kwijt?

Plattegrond met ruimtegebruik. Rood is onderbenut.
‘Beeld RE-ST 1’ (bron: RE-ST)
Om tot het antwoord te komen, begint de architect aan een zoektocht naar ‘zwerfruimte’: onderbenutte ruimte die vaak over het hoofd wordt gezien en die - wellicht met een kleine ingreep – meer functies en activiteiten kan huisvesten.
Bij uitbreiding van een bestaand gebouw met nieuwbouw wordt volgens Minten vaak vergeten om allereerst de activiteit in de bestaande ruimte te monitoren. Om onbenutte ruimte in kaart te brengen vraagt hij bijvoorbeeld uurroosters op om in kaart te brengen hoe en wanneer bepaalde ruimtes gebruikt worden. Zo kon bij het schoolgebouw Het Kleine Seminarie in Hoogstraten een gehele ongebruikte schoolkapel voor school- en buurtactiviteiten gebruikt worden.
Ruimte-expert
Door deze zorgvuldige analyse van tijd en ruimte, kan in kaart worden gebracht hoe de functies van gebouwen en (delen van) gebieden anders gecombineerd kunnen worden. Volgens Minten neemt de architect daarmee de rol aan als ‘ruimte-expert’, waarbij niet alleen het gebouw zelf ontworpen wordt, maar ook zorgvuldig naar het ruimtegebruik gekeken wordt. Zo werd bij de uitbreiding van het districtshuis Zaal Harmonie in Antwerpen een andere locatie gevonden voor de raadszaal: “Voor de districtsraad zouden wij een plek ontwerpen, maar de raad komt maar eens per maand samen. Dat vonden wij zonde van de ruimte. Uiteindelijk hebben we een paar straten verder een ruimte in het nieuwe provinciehuis gevonden waar eens per maand gemakkelijk een ruimte gehuurd kon worden. Hierdoor namen de kosten ook enorm af, voorkwamen we onnodige bouw en was in de vrijgekomen ruimte plek voor een café. Zo proberen we verschillende partijen met elkaar te laten samenwerken.”
Ook bij woningbouwprojecten weet het bureau te hergebruiken en bestaande ruimte beter te benutten. Bijvoorbeeld bij de Herfstvreugde in Genk waar de betonnen skeletstructuur van het oude woonzorgcentrum wordt behouden en wordt gerenoveerd. Of de flat bij Kleerroos Herentals waar grootschalige renovatie de levensduur van twee woontorens met een halve eeuw verlengt.

Skelet van flatgebouw de Herfstvreugde.
‘Beeld RE-ST 2’ (bron: RE-ST)
Maar niet alleen past de architect de bril van het niet-bouwen, aangezien het in gang zetten van efficiënter ruimtegebruik volgens Minten ook een taak van de wetgever is. Woningsplitsen mogelijk maken, het versoepelen van regels rondom woningdelen of het aanmoedigen van hospitaverhuur zijn taken voor de overheid om de doorstroom op gang te brengen of grote woningen beter te benutten, iets waar ook Nederlandse architect Sanne van Manen in De Correspondent onlangs voor pleitte. Maar ook in Vlaanderen is dit van belang, waar zo’n twee derde van de bevolking in onderbenutte woningen leeft.
Door-evalueren
En dan de olifant in de kamer: maakt de architect met het niet-bouwen zichzelf onnodig? Volgens Minten zorgt het adagium er juist voor dat de architectuur door-evalueert. De huidige ontwikkeling rondom kunstmatige intelligentie zouden er al aan bijdragen dat het werk van de architect vervangen kan worden. “Met een druk op de knop krijg ik twintig verschillende renders voor een gebouw.” Ontwikkelaars en aannemers zouden bij nieuwbouwprojecten tegenwoordig al de nodige kennis in huis hebben om nieuwe gebouwen en wijken te ontwerpen. Juist de renovatie en restauratie van bestaande gebouwen zouden volgens Minten vanwege het nodige maatwerk minder AI-friendly zijn en vragen om vakmanschap.
Arbeid wordt in onze samenleving belast, maar grondstoffengebruik niet
Maar deze ontwikkelingen hebben niet alleen een effect op het vakgebied zelf, want de architect kan een grote betekenis hebben in de verduurzaming van de sector. Uitgaande van een opwarming van 1,7 graden Celsius wordt het CO2-budget van de Nederlandse bouw al in 2030 overschreden, volgens onderzoek van Copper 8. Tot 2 graden is dat 2040. Juist de niet-bouwende architect of ontwikkelaar speelt daarom volgens Minten een belangrijke rol in het behalen van duurzaamheidsdoelen.
Hoe nu verder?
Het is volgens Minten aan de ontwikkelaar om met nieuwe businessmodellen te komen waarin het bestaande beter wordt benut. Daarbij speelt dat er volgens hem vaak met nieuw vastgoed wordt belegd, waardoor ontwikkelaar na de bouw het vastgoed meteen verkopen. Volgens Minten liggen er kansen in het behoud van het vastgoed: “In Brussel werken wij met een ontwikkelaar die een brouwerij aan het herbestemmen is. De ontwikkelaar kiest voor verhuur zodat het pand in bezit blijft zodat eventueel in veertig jaar het weer getransformeerd kan worden. Dan kan er zelfs opnieuw mee verdiend worden. Zie dit als een soort circulair denken voor de ontwikkelaar.”

‘Atlas Brouwerij Brussel’ (bron: RE-ST)
Niet alleen ligt de verantwoordelijkheid bij de ontwikkelaar, maar ook bij de overheid. Renovatie is arbeidsintensiever dan nieuwbouw, terwijl het minder materiaal vergt. “Arbeid wordt in onze samenleving belast, maar grondstoffengebruik niet.” Zo pleit Minten voor een hervorming van het belastingstelsel dat meer belasting heft op grondstoffen – de zogeheten tax-shift – om het zo financieel aantrekkelijker te maken om te renoveren.
Deze alternatieve blik op hoe te bouwen is volgens Minten in opkomst, en onontkoombaar: “In een wereld gericht op uitbreiding en nieuwbouw loopt de ontwikkelende partij tegen veel obstakels aan zoals een ruimtegebrek of protesterende burgers. Juist nu is de kans om rollen te herdefiniëren. De ontwikkelaar die in het bestaande investeert, die wordt de pionier van de toekomst.”
Beelden van de herontwikkeling van het woonzorgcentrum Herfstvreugde in Genk.
Cover: ‘Onderbenutte schoolkapel wordt voor buurtactiviteiten benut’ (bron: RE-ST)